terug naar onderwerpen Nieuwsbrieven

uit Nieuwsbrieven

       
Uit de geschiedenis van de Werf Van Duijvendijk ©  (aflevering 1)

Door: Jan de Jong
 

Het onderzoek naar de voorgangers van de werf Van Duijvendijk levert zo nu en dan bijzonder materiaal op. Tussen 1839 en 1866 bouwde Jan Otto op deze werf minstens 15 zeewaardige koopvaardijschepen.
 

Een jaar bouwtijd
Een groot succes werd de bark Baltimore die op 1 juli 1848 van stapel liep. De Nieuwe Rotterdamsche Courant van 4 juli 1848 maakte melding van de tewaterlating. Uit het bericht blijkt dat de redactie van de krant niet helemaal precies wist waar de werf Otto zich bevond: Rotterdam, 3 juli. Zaterdag namiddag ten 6 ure is van de werf van de scheepsbouwmeester J. Otto te Capelle aan den IJssel te water gelaten het barkschip BALTIMORE, groot ca. 400 Java-lasten, voor rekening van de heren L. Bienfait & Zn te Amsterdam, en daarna de kiel gelegd van het schip genaamd JOHANNA MARIA.

Een bark is net als een fregat een koopvaardijschip met drie masten. Het verschil is dat bij een bark de achterste mast in de lengte van het schip getuigd is, een zogeheten bezaansmast. Van de Baltimore is een afbeelding bewaard gebleven in het Nederlands Scheepvaart Museum in Amsterdam. We weten trouwens ook hoelang Jan Otto en zijn personeel er over gedaan hebben om dit schip te bouwen. De Amsterdamse krant Algemeen Handelsblad meldde namelijk in de zomer van 1847: Dordrecht 9 Juni 1847. Naar men verneemt is door J.Otto scheepsb.meester te Krimpen a/d IJssel de kiel gelegd voor een barkschip groot 400 Javalasten, genaamd BALTIMORE. Precies een jaar dus om het casco van een bark te bouwen. Daarna werd het schip in de Hollandsche IJssel voor de werf afgebouwd en van zeilen en tuigage voorzien. Niet zo lang daarna moet het schip onder kapitein F.C. Jaski voor het eerst naar Indië zijn gezeild. De Dordrechtse Courant maakte op 2 juni 1849 melding van de terugkeer: Te Texel gearriveerd, den 30 Mei, Baltimore, F. C. Jaski, van Batavia. Voor éen van de volgende reizen van het schip werd in het Algemeen Handelsblad reclame gemaakt. In mei 1850 kondigde een advertentie aan: voor pasagiers en goederen zal ten spoedigste van Amsterdam naar New York vertrekken: Het snelzeilend gekoperd Nederl. Fregatschip BALTIMORE, Kapt. F.C. Jaski.


Met koper versterkt

Deze berichten leveren een tweetal interessante gegevens over het schip. Allereerst dat het bij de bouw gekoperd is, dat wil zeggen dat de houten romp onder de waterlijn van een koperen beplating werd voorzien. Hiermee ontstond een veel sterkere scheepswand. Ten tweede kennen we hiermee ook de gezagvoerder van het schip: Feye Christiaans Jaski, geboren op 5 december 1810 op het eiland Schiermonnikoog en overleden op 7 december 1882 te Amsterdam. Hij werkte jarenlang als kapitein voor de Amsterdamse rederij Louis Bienfait & Soon. In 1851 en 1852 maakte Jaski met “zijn” schip een tocht om de wereld. Dat was toendertijd iets bijzonders. Weinig kapiteins voor hem hadden de moed daartoe gehad omdat de schepen te traag waren en daarmee de tocht wel erg lang ging duren. Met de moderne bark Baltimore, die op het genoemde schilderij al enige trekken van een (snelzeilende) klipper vertoont, moest dat wel lukken. In 1855 werd het reisverslag van Jaski in druk uitgegeven.

(wordt vervolgd)
 

© overnemen van dit artikel mag, maar dan met toestemming van de auteur 

NIEUWSBRIEF   januari 2010

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar boven

Uit de geschiedenis van de Werf Van Duijvendijk © (aflevering 2)

Tussen 1839 en 1866 bouwde Jan Otto op deze werf minstens 15 zeewaardige koopvaardijschepen. In onze vorige nieuwsbrief schreef Jan de Jong over de bouw van de bark ‘Baltimore’. De ‘Baltimore’, onder kapitein Jaski maakte in 1851/1852 al een reis om de wereld. In 1855 werd het reisverslag in druk uitgegeven……  

Reis om de wereld  

Kapitein Jaski geeft als reden dat hij zijn reisverslag nu publiceert, dat hij iedereen wil informeren die ook zo.n reis gaat ondernemen. Met name zijn gegevens over het varen rond Kaap Hoorn, de zuidelijke punt van Zuid-Amerika, acht hij voor anderen van groot belang.

Op 1 maart 1851 lag het schip voor vertrek klaar op de rede van Texel, geladen met steenkool en stukgoederen. Op dat moment stond er een stevige wind uit het noordoosten, die het vertrek in zuidwestelijke richting bespoedigde. Eenmaal buitengaats kwam de Baltimore meteen al in een noordwester storm terecht. De volgende middag laat waren ze al het Kanaal uit en de Atlantische Oceaan op. Op 16 maart passeerden ze La Palma, het meest noordwestelijke eiland van de Canarische Eilanden, en begon het schip aan de oversteek naar Zuid-Amerika. Vervolgens zeilde de Baltimore langs Brazilië en Argentinië in de richting van de Falklandeilanden. Tussen deze eilanden en het vaste land hadden ze op 10 mei prachtig weer, zodat de bemanning de tijdens de reis beschadigde tuigage kon herstellen. Daarna werd de tocht naar Kaap Hoorn voortgezet. Op 12 mei hadden ze een noordenstorm en kwam de zuidpunt van het Amerikaanse continent in zicht. Het waren korte dagen, lange nachten, temperaturen maar net boven het vriespunt en veel winterse buien.

Dit onstuimige weer hield aan tot 5 juni. Ondertussen hadden ze op 28 en 29 mei een hevige storm gehad met, zoals Jaski het omschrijft, een rondlopende wind die er voor zorgde dat de hoge zeeën aan beide kanten op het dek liepen: “het schip had veel te doorstaan, maar het hield zich goed”, stelde de kapitein vast. En hij voegde er voor de lezers een goede raad aan toe: om Kaap Hoorn varen met zoveel mogelijk zeil om snel van het onbestendige en stormachtige weer bevrijd te zijn. Op eerste pinksterdag 8 juni arriveerde de Baltimore in de baai van Valparaiso de Chile, 99 dagen na het vertrek van Texel.  

Chaos in San Francisco

Een gedeelte van de lading werd in Valparaiso gelost. Toen er op 28 juni nog geen uitzicht op nieuwe vracht was, besloot men om de dag erna te vertrekken en verder koers te zetten naar San Francisco. Deze stad bereikten ze na een reis van 47 dagen op 15 augustus. De Baltimore bleef hier een paar maanden liggen.

Jaski beschrijft uitvoerig de stad en de haven met zijn voor Europese begrippen merkwaardig lange met houten huizen bebouwde in zee stekende aanlegsteigers. Ook verhaalt hij van het ruige leven in de stad waar kennelijk misdaad aan de orde van de dag is en er een vreemd rechtssysteem op wordt nagehouden. Onder invloed van de goudkoorts werd er stevig geronseld onder de bemanningen van net gearriveerde schepen. Uiteindelijk raakte Jaski maar drie man personeel daaraan kwijt: zijn hofmeester, een matroos en een scheepsjongen. In de vroege ochtend van 7 oktober vertrok de Baltimore met een viertal passagiers om de Stille Oceaan over te steken.  

Dwars over de Stille Oceaan

Op de 26e van deze maand bereikte het schip de Sandwicheilanden, waarna het twee dagen later aanmeerde in de haven van Honoluhu. Kapitein Jaski maakte met een van de passagiers een rit te paard over het eiland, waarna men, zonder iets verkocht te hebben of nieuwe lading gekregen, op 31 oktober de reis vervolgde. Na diverse eilandengroepen gepasseerd te hebben, arriveerden ze met mooi weer op 29 november bij de zuidpunt van Formosa, het grote eiland voor de kust van China. De Chinese loods die aan boord kwam maakte duidelijk dat de koers van het schip te zuidelijk was om Hong Kong aan te doen. Jaski besloot daarop naar de vrijhaven Macao te zeilen. Hij vermeldt nadrukkelijk in zijn reisverslag dat in deze omgeving het zo wemelt van Chinese vissersboten, dat ze uit angst voor overvallen de bewapening van het schip in stelling brachten. Tussen 2 en 11 december lag de Baltimore in de haven van Macao. Hier ruilde Jaske 1500 kazen tegen andere goederen, waarna ze doorvoeren naar Singapore. Deze stad leverde ook vracht en maar liefst dertig passagiers voor Batavia op. Op 3 januari 1852 noteerde de kapitein, alsof hij een zucht slaakte na zoveel avonturen: behouden op de rede van Batavia gearriveerd. Hier nam het schip de gebruikelijke lading in voor een vaart naar Nederland: 400 last koffie. Op 18 februari vertrok het schip hier weer. Na een wereldreis van 15 maanden en 10 dagen kwam het schip op 10 juni 1882 zonder ernstige ongelukken of ziekte onder de bemanning op de rede van Texel aan.  

Vergaan op Terschelling  

De Baltimore bleef in bedrijf bij de rederij Bienfait & Soon tot 1879. Toen werd het schip verkocht aan de rederij J. & J. Vinke, ook te Amsterdam. De firmant van dat bedrijf, Albertus Vinke, was op dat moment de belangrijkste leverancier van hout uit Noorwegen en de Oostzeelanden.

(Jan de Jong)

© overnemen van dit artikel mag, maar dan met toestemming van de auteur 

NIEUWSBRIEF   april 2010