terug naar onderwerpen Nieuwsbrieven

uit Nieuwsbrieven

       
 

Zo had Krimpen aan den IJssel er uit kunnen zien.

 

De éérste plannen voor overbrugging ontstonden al in de winter van 1902-03, toen de streek de ellende van de slechte verbindingen weer eens in alle hevigheid voelde. Twee Krimpenaren:  burgemeester B. Koker en L. van der Weiden namen een besluit tot actie. Met een krachtige oproep richtten zij zich tot allen, die belang hadden bij een overbrugging van de IJssel en belegden een vergadering in Krimpen aan de Lek. Uit de samenstelling van het daarna gevormd comité bleek dat het accent van deze actie in beide Krimpens lag, maar   initiatiefnemers kwamen ook uit Lekkerkerk, Bergambacht, Stolwijk en Ouderkerk.

Als éérste werd in 1903 gedacht aan een spoorbrug met overkapping voor voetgangers en voertuigen. Deze verbinding zou aangesloten  moeten worden met Sliedrecht, maar moest over de IJssel gebouwd worden omdat men de lijn vanaf Rotterdam door de Krimpenerwaard wilde leiden. Deze plannen werden echter niet doorgezet omdat de regering kort daarvoor een soortgelijk plan t.a.v. de spoorbrug over de Merwede bij Sliedrecht had geweigerd tevens toegankelijk te maken voor ander verkeer.

Men was zich ervan bewust dat de steeds toenemende concurrentie voor handel, industrie en landbouw het rechtstreekse verkeer vanuit de Krimpenerwaard naar  Rotterdam als groothandelscentrum zoveel mogelijk onbelemmerd moest kunnen plaatsvinden en dat het veer Van de Ruit hiervoor onvoldoende waarborgen gaf. In de wintermaanden werd het verkeer over water veelal door vorst en ijsgang zelfs geheel onmogelijk.  De commissie wist dat het op eigen draagkracht en invloed aan zou moeten komen en richtte zich in 1905 in een brief tot H.M. Koningin Wilhelmina om tot een doelmatige overbrugging van de rivier te komen. Deze petitie ging gepaard met 1100 handtekeningen, wat voor die tijd een groot aantal was. Met spanning wachtte men af en de teleurstelling was dan ook des te groter toen de koningin afwijzend op het ingediende verzoek had moeten beschikken. De brugbouw werd geschat op 3.000.000 gulden, maar vanwege de waterstaatkundige toestand van de IJssel zouden deze zeer hoge kosten niet evenredig zijn aan de meerdere welvaart.

Het antwoord liet aan duidelijkheid niets te wensen, maar de commissie zette het werk  niettemin onverdroten voort. Men vroeg een uitgewerkte begroting aan voor een hangende zogenaamde “pont transbordeur” ofwel een hangende of zwevende pont.

 In Frankrijk waren deze destijds al meerdere in gebruik. Op beide IJsseloevers zouden 2 torens gebouwd worden van 44½ meter hoog en de spanwijdte was gesteld op 114 meter. De torens zouden rusten op een zware fundering en tussen beide stellages in was op 25 meter boven de waterspiegel het plateau gepland voor de eigenlijke brugdrager. Deze was van onderen open en voorzien van opstaande randen, waarbinnen de draagrails voor de trucks van de zweefpont waren aangebracht.

De pont zou komen te hangen aan 20 kabels en bestemd zijn voor voertuigen en voet-gangers. Zij was 10 meter land en 8 meter breed en bood plaats aan 2 voertuigen en 100 voetgangers per overtocht. De ruimte voor de passagiers zou geheel overdekt en beschut zijn, zodat ook bij het ruwste weer de “overzweef” geen natte bezwaren zou opleveren. De overtocht zou 57 seconden vergen. U merkt het al: voordelen genoeg.  

Aangezien Nederland nog geen “zwevende pont” kende, meende het comité te mogen verwachten dat deze unieke brug duizenden nieuwsgierigen naar de IJsseloevers zou brengen. Een schitterende gelegenheid om van de brug een toeristisch centrum te maken. Jammer voor de commissie dat de regering ook voor deze opzet geen geld beschikbaar kon stellen.

 

extra NIEUWSBRIEF   juli 2008