|
Je kunt het je nu haast
niet meer voorstellen, maar toen men zo’n honderd jaar geleden sprak
over de aanleg van waterzuivering en een waterleidingnet vond dat maar
weinig gehoor. En toen het er eenmaal was, was de animo voor aansluiting
maar matig. Ruim na de oorlog schepte mijn opa met zijn klomp nog water
uit de sloot als we dorst hadden. Toch was hij één van de eersten die
een aansluiting wilde. Het gevaar voor allerlei ziekten door slechte
hygiëne, of het drinken van ongezuiverd water, was al duidelijk bekend.
Maar de meeste Krimpenaren geloofden het maar nauwelijks. Of er in
honderd jaar ook wat veranderd is!
Hoe ging dat dan
voor de aanleg?
Onze rivieren, bredere vaarten en poldersloten werden mogelijk nog niet
al te erg verontreinigd door chemische afvalproducten. Maar zeker wel
door allerlei andere zaken. Voor een deel dienden ze als een direct
aanwezige afvalbak. Zelfs dode dieren werden, als ze niet konden worden
geslacht, in de Hollandsche IJssel gegooid. Maar ook kwamen er allerlei
greppeltjes, rioolpijpen en fabrieksafvoeren op uit. En, om maar niet
meer te noemen, werd alle was- en afwaswater, ja zelfs de inhoud van het
in elk huis aanwezige potje, geleegd in sloot of rivier. Ik weet nog van
direct na de oorlog dat menig huisvrouw dat zo deed, als één van de
eerste dagelijkse bezigheden. |
Een kwartiertje
later kwam ze dan terug om water uit diezelfde sloot te halen omdat er
thee moest worden gezet!
Want dat was natuurlijk het echte
probleem. Het oppervlaktewater werd voor 1900, maar zeker ook nog
daarna, als drink- en waswater gebruikt. De doktoren, met name,
waarschuwden om dat niet te doen en als het echt niet anders kon, dan
goed te koken. Maar ja, het ging zo gemakkelijk, kostte niets, tante
Marie deed het ook en die was toch maar 91 jaar geworden.
Ziekten door ontbrekende hygiëne
U kent de verhalen vast wel over vroeger veel voorkomende ziekten als
tyfus, en cholera. In de negentiende eeuw was er zo om de tien á
vijftien jaar een cholera-epidemie in Europa. In onze omgeving zijn
bijvoorbeeld de jaren 1832/1833, 1848/1849 en 1868 berucht. Het werd
deskundigen meer en meer duidelijk dat dit mede een gevolg was van de
slechte hygiëne en vooral het gebruik van ongezuiverd en ongekookt
water. Sinds de eerste (er waren er drie) dokter Blom in 1897 naar
Krimpen kwam, waarschuwde hij waar hij kon. Toen raadslid Otto op 14
april 1906 een voorstel indiende om een gemeentelijke drinkwaterleiding
op te richten steunde hij ook dat van harte. |
|
Een gemeenschappelijk drinkwaterleidingbedrijf
Het voorstel van de heer Otto was wat overbodig, want inmiddels werd er
druk overleg gevoerd tussen Lekkerkerk, Krimpen aan de Lek en Krimpen
aan den IJssel om een gemeenschappelijk bedrijf op te zetten. Een pracht
initiatief want dat was natuurlijk veel goedkoper dan een gemeentelijk
bedrijf. En het kwam er nog ook, het ‘Waterleidingbedrijf Lek en
IJssel’. Als eerste, maar zeker niet het laatste, intergemeentelijk
waterleidingbedrijf in Nederland.
Al in oktober 1907 werd door de heren Mart. Visser en J. Smit uit
Oud-Beijerland een eerste rapport met begroting ingediend bij de drie
lid-gemeenten. Na uitvoerig onderzoek beval men een perceel grond aan op
de grens van Lekkerkerk en Krimpen aan de Lek. Daar moest een
kantoorgebouw annex machinisten- en stokerswoning, een machinegebouw,
een generatorgebouw en een bergplaats komen. Er achter plande men een
watertoren met een hoogte van 40 meter en een reservoir van 250 m3, twee
filterreservoirs en twee
bezinkvijvers. De hoofdbuisleiding, vanaf scheepswerf Van Duyvendijk in
Lekkerkerk tot de grens met Ouderkerk aan den IJssel en wat zijleidingen
naar enkele straten en naar de Stormpolder, moest 18 kilometer lang
worden. En, zo schreven ze, de kosten zouden beslist niet meer bedragen
dan 155.000 gulden (ongeveer 70.000 euro)
Gefilterd water beschikbaar
Natuurlijk werden op dit plan nog wat wijzigingen gemaakt. De
goedkeuringen van de Provincie en het Dijkcollege kwamen af in 1908 en
al snel daarna werd begonnen. Op 5 juni 1909 werd de eerste steen gelegd
voor de watertoren. Die moest nu 47 meter hoog worden en zou een stalen
reservoir
 |

krijgen. Het leidingwerk in de dijken was
kennelijk al in september 1909 gereed, want toen kreeg men een aanmaning
van het Dijkcollege. Zij constateerden dat het werk al even gereed was,
maar dat de beloofde 5 centimeter grindafdekking
op de sleuven nog ontbrak. De officiële ingebruikneming van het bedrijf
was op 31 oktober 1910. Bij de hiervoor genoemde begroting stelde men
het aantal mogelijke aansluitingen/
percelen in Lekkerkerk op 852, in Krimpen aan de Lek op 675 en bij ons
op 667. Ons Krimpen was dus de kleinste (telde toen ca. 3.160 inwoners).
De praktijk leerde dat de geraamde 60% directe aansluiting wat
optimistisch was. Zoals ik hiervoor al schreef: velen zagen er de
noodzaak nog niet van in. Bekend is dat in 1912 een dertigtal
huiseigenaren
schreven nog steeds geen aansluiting te willen omdat men het water uit
de rivier betrok. Wat een veranderingen in de afgelopen honderd jaar!
 |