naar   publicaties Klinker

overgenomen uit de KLINKER nr 4, blz 14 en 15 / sept. 09

   

gemeentelijk voorlichtingsblad Krimpen

Je kunt het je nu haast niet meer voorstellen, maar toen men zo’n honderd jaar geleden sprak over de aanleg van waterzuivering en een waterleidingnet vond dat maar weinig gehoor. En toen het er eenmaal was, was de animo voor aansluiting maar matig. Ruim na de oorlog schepte mijn opa met zijn klomp nog water uit de sloot als we dorst hadden. Toch was hij één van de eersten die een aansluiting wilde. Het gevaar voor allerlei ziekten door slechte hygiëne, of het drinken van ongezuiverd water, was al duidelijk bekend. Maar de meeste Krimpenaren geloofden het maar nauwelijks. Of er in honderd jaar ook wat veranderd is!

Hoe ging dat dan voor de aanleg?

Onze rivieren, bredere vaarten en poldersloten werden mogelijk nog niet al te erg verontreinigd door chemische afvalproducten. Maar zeker wel door allerlei andere zaken. Voor een deel dienden ze als een direct aanwezige afvalbak. Zelfs dode dieren werden, als ze niet konden worden geslacht, in de Hollandsche IJssel gegooid. Maar ook kwamen er allerlei greppeltjes, rioolpijpen en fabrieksafvoeren op uit. En, om maar niet meer te noemen, werd alle was- en afwaswater, ja zelfs de inhoud van het in elk huis aanwezige potje, geleegd in sloot of rivier. Ik weet nog van direct na de oorlog dat menig huisvrouw dat zo deed, als één van de eerste dagelijkse bezigheden.

 

Een kwartiertje later kwam ze dan terug om water uit diezelfde sloot te halen omdat er thee moest worden gezet!

Want dat was natuurlijk het echte probleem. Het oppervlaktewater werd voor 1900, maar zeker ook nog daarna, als drink- en waswater gebruikt. De doktoren, met name, waarschuwden om dat niet te doen en als het echt niet anders kon, dan goed te koken. Maar ja, het ging zo gemakkelijk, kostte niets, tante Marie deed het ook en die was toch maar 91 jaar geworden.

Ziekten door ontbrekende hygiëne

U kent de verhalen vast wel over vroeger veel voorkomende ziekten als tyfus, en cholera. In de negentiende eeuw was er zo om de tien á vijftien jaar een cholera-epidemie in Europa. In onze omgeving zijn bijvoorbeeld de jaren 1832/1833, 1848/1849 en 1868 berucht. Het werd deskundigen meer en meer duidelijk dat dit mede een gevolg was van de slechte hygiëne en vooral het gebruik van ongezuiverd en ongekookt water. Sinds de eerste (er waren er drie) dokter Blom in 1897 naar Krimpen kwam, waarschuwde hij waar hij kon. Toen raadslid Otto op 14 april 1906 een voorstel indiende om een gemeentelijke drinkwaterleiding op te richten steunde hij ook dat van harte.

 

Een gemeenschappelijk drinkwaterleidingbedrijf

Het voorstel van de heer Otto was wat overbodig, want inmiddels werd er druk overleg gevoerd tussen Lekkerkerk, Krimpen aan de Lek en Krimpen aan den IJssel om een gemeenschappelijk bedrijf op te zetten. Een pracht initiatief want dat was natuurlijk veel goedkoper dan een gemeentelijk bedrijf. En het kwam er nog ook, het ‘Waterleidingbedrijf Lek en IJssel’. Als eerste, maar zeker niet het laatste, intergemeentelijk waterleidingbedrijf in Nederland.

Al in oktober 1907 werd door de heren Mart. Visser en J. Smit uit Oud-Beijerland een eerste rapport met begroting ingediend bij de drie lid-gemeenten. Na uitvoerig onderzoek beval men een perceel grond aan op de grens van Lekkerkerk en Krimpen aan de Lek. Daar moest een kantoorgebouw annex machinisten- en stokerswoning, een machinegebouw, een generatorgebouw en een bergplaats komen. Er achter plande men een watertoren met een hoogte van 40 meter en een reservoir van 250 m3, twee filterreservoirs en twee
bezinkvijvers. De hoofdbuisleiding, vanaf scheepswerf Van Duyvendijk in Lekkerkerk tot de grens met Ouderkerk aan den IJssel en wat zijleidingen naar enkele straten en naar de Stormpolder, moest 18 kilometer lang worden. En, zo schreven ze, de kosten zouden beslist niet meer bedragen dan 155.000 gulden (ongeveer 70.000 euro)

Gefilterd water beschikbaar

Natuurlijk werden op dit plan nog wat wijzigingen gemaakt. De goedkeuringen van de Provincie en het Dijkcollege kwamen af in 1908 en al snel daarna werd begonnen. Op 5 juni 1909 werd de eerste steen gelegd voor de watertoren. Die moest nu 47 meter hoog worden en zou een stalen reservoir

 

 

 

 

 

krijgen. Het leidingwerk in de dijken was kennelijk al in september 1909 gereed, want toen kreeg men een aanmaning van het Dijkcollege. Zij constateerden dat het werk al even gereed was, maar dat de beloofde 5 centimeter grindafdekking op de sleuven nog ontbrak. De officiële ingebruikneming van het bedrijf was op 31 oktober 1910. Bij de hiervoor genoemde begroting stelde men het aantal mogelijke aansluitingen/ percelen in Lekkerkerk op 852, in Krimpen aan de Lek op 675 en bij ons op 667. Ons Krimpen was dus de kleinste (telde toen ca. 3.160 inwoners). De praktijk leerde dat de geraamde 60% directe aansluiting wat optimistisch was. Zoals ik hiervoor al schreef: velen zagen er de noodzaak nog niet van in. Bekend is dat in 1912 een dertigtal huiseigenaren schreven nog steeds geen aansluiting te willen omdat men het water uit de rivier betrok. Wat een veranderingen in de afgelopen honderd jaar!

 

 

Cees Loeve