naar   publicaties Klinker

 

overgenomen uit de KLINKER nr 8, blz 10 -11 /  2008

  Een oude opname van de Witte Brug en daarachter Krimpen aan de Lek.  
50 JAAR ALGERA-COMPLEX DEEL 8

DE WITTE BRUG

 

 

De ‘Witte Brug’ was vroeger één van de bekende punten in Krimpen aan den IJssel. Ze vormde in de Lekdijk de grens met Krimpen aan de Lek. Deze gemeentegrens was erg herkenbaar. De Witte Brug was ook een bekende ontmoetingsplaats en zelfs een beetje geheimzinnig, want er onder was een sluis, waar je nooit wat zag gebeuren en waarvan je dus ook niet wist waarom die daar was. De naam werd zelfs gebruikt in vroegere Krimpense gezegden. Zoals “een tante van de witte brug, dus”. Dat zei je glimlachend als aanvulling als iemand een, voor jou helemaal niet interessante, verhandeling over bepaalde familie-betrekkingen gaf.

Door de op een kier staande deuren van de noodsluis kijken we nog net de polder in.

De ‘noodsluis’

De reden waarom hier (waar nu Citroengarage Broere is) een brug lag is nu wel duidelijk. Er onder lag namelijk een in-en uitlaatsluis, de zogenaamde ‘noodsluis’. Die moest worden aangelegd toen men aan het eind van de achttiende eeuw elders in de Krimpenerwaard turf wilde gaan steken.  

De dijken waren in die tijd de beste, eigenlijk enige, ontsluitingswegen tussen de dorpen van de Krimpenerwaard. Om die reden lag er dus een stevige en vrij brede stalen brug overheen. De houten hekken, die erop waren gebouwd om te vermijden dat men in de sluis viel, waren altijd keurig wit geverfd. Al snel kreeg de brug daarom bij de toen ongeveer 700 mensen die in Krimpen aan den IJssel en Stormpolder woonden de naam ‘Witte Brug’. Een naam die we nu trouwens nog kennen omdat in 1981 een straat in Langeland die naam kreeg, als herinnering aan de in 1954 verdwenen brug.

 

De noodsluis met er overheen de Witte Brug.

 

De ‘geoctroyeerde verveening’   

De boeren in de waard hadden het niet best aan het eind van de achttiende eeuw. Driemaal in vijfendertig jaar was er een grote overstroming met alle gevolgen voor land en dieren die daar helaas bij hoorden. Ook woedde er in deze periode veepest die de veestapel flink aantastte. Zelfs vervangend vee stierf vaak weer. Het werd nu wel heel moeilijk om het hoofd boven water te houden en de waarde van boerderijen en landerijen daalde tot een heel laag peil. Een aantal beleggers maakte hier gebruik van door het land en de boerderijen op te kopen voor de heersende bodemprijzen en weer, tijdelijk, te verhuren. Want men had heel andere plannen met die grond! Sinds 1782 werd wel driemaal geprobeerd om vergunning te krijgen van de Staten van Holland om dit gebied te gaan vervenen. Pas in 1795 doken de plannen weer op en er werd, na veel discussie en bezwaar, toch op 23 juni 1797 octrooi (toestemming) verleend. Maar wel onder een aantal voorwaarden.

Het gebied van de ‘Verveening’ is op deze kaart van 1837 goed te zien.

 

 

De voorwaarden bij het octrooi

De deelnemers in ‘den kring der Geoctroyeerde Verveening in den Krimpenerwaard’ konden dus aan de slag. De voorwaarden waarmee ze moesten en wilden rekenen waren onder meer dat ze voor het vervenen en de daarop volgende droogmakerij maximaal 105 jaar kregen. Dat het gebied zou worden omringd met een ringdijk en ontsluitende vaarten. Er een sluis kwam bij Stolwijkersluis en … ‘noodsluis’ bij Krimpen aan den IJssel. Die sluis moest gaan dienen om het water in de Krimpenerwaard, maar vooral dus bij de vervening, beter te kunnen regelen. Vooral als er weer een watersnood zou komen, wilde men zeker weten dat er snel water uit de waard zou kunnen worden geloosd. En in voorkomende gevallen kon er dus ook water worden ingelaten.

Waar de veenderij kwam te liggen en hoe ze werd ontsloten is duidelijk te zien op de kaart uit 1837. De aansluiting op de noodsluis in Krimpen staat de meer gedetailleerde kaart. Daarop wordt ook duidelijk dat zowel het vroegere veenriviertje de Loet, als het water langs de Lansing (verbastering van het woord landscheiding),werden verbeterd en zo voor de nodige ontsluiting konden dienen. Men startte het werk met de aanleg van de Krimpense dubbele noodsluis en de erboven geprojecteerde brug. Dit complex moet dus omstreeks 1800 gereed zijn gekomen.

 

 

 

De mislukte vervening  

Het zat met die vervening al vanaf het begin erg tegen. In Ouderkerk aan den IJssel werd een stoomgemaal geplaatst om de veenpolder droog te houden. Maar steeds weer moeten er met dit moderne gemaal problemen zijn geweest. Omdat maar niet werd begonnen met turf steken, moest men zelfs dreigen met straffen. Dat niet willen beginnen kwam vooral omdat het de boeren ondertussen weer heel wat beter ging. Zíj hadden daardoor in ieder geval geen haast met het afgraven van hun landerijen. De mislukking werd pas echt duidelijk toen bleek dat de veensoort die hier zat van een verkeerde soort was. De gestoken turf bleek daardoor van zeer matige kwaliteit en was dus ook weinig waard. Voor de inwoners van de waard niet zo verrassend. Zij maakten, zelfs nog direct na de Tweede Wereldoorlog, alleen maar zelf turf als er echt geen geld was om ‘vreemde’ turf te kunnen kopen! Men sukkelde nog wat door, verkocht tenslotte voor weinig geld de percelen die men voor een hoger bedrag had gekocht en toen was het over. Met een Koninklijk Besluit van 16 december 1853 werd de verleende goedkeuring ingetrokken.

 

Bij de witte cirkel waren de noodsluis en de Witte Brug. Het watertje de polder in was de Lansing, met verder op de Loet.

 

 

De Witte Brug tenslotte

De Witte Brug lag er al die 154 jaar van zijn bestaan prima onderhouden bij. Vlak naast de brug lag de dienstwoning van het Hoogheemraadschap. Brug en sluis werden de laatste jaren onderhouden door de hier wonende Jan Broere (inderdaad een voorvader van …). Hij deed ook allerlei ander werk voor het Hoogheemraadschap en had daarnaast ook een handel in vee en paarden.

Mensen van aannemer Stigter uit Ammerstol zijn hier in oktober 1954 gestart met de sloop van het noodsluiscomplex.

Maar de noodsluis zelf werd nooit gebruikt. In 1822 besloot men daarom dat ze moest worden afgedamd. Diverse aan de Lekdijk woonachtige schippers gebruikten het water ervoor als thuishaven. De commissaris van de Koningin gebruikte de naam nog als grapje in zijn redevoering bij de opening van het Algera-complex. De eigenlijke opening, zo zei hij kort samengevat, werd verricht door ir. Witte. Maar, er was al een ‘Wittebrug’, dus daarom werd gekozen voor ‘Algera-brug’. Het zou nog tot 11 oktober 1954 duren voordat het sloopwerk en herstel van de dijk werden opgedragen aan firma Stigter uit Ammerstol. Daarna duurde het jaren voordat de oudere Krimpenaren de plaatsaanduiding Witte Brug niet meer gebruikten. En nog langer voordat ze die naam direct in verband brachten met een fijne straat in Langeland.

 Cees Loeve