naar   publicaties Klinker

 

overgenomen uit de KLINKER nr 2, blz 10 -11 / april 2008

 

50 JAAR ALGERA-COMPLEX DEEL 2

STORMVLOED IN EN ROND KRIMPEN

 

 

Hoe belangrijk Schielands Hoge Zeedijk was wisten we al sinds deze dijk doorgraven werd in september 1574. Het land kwam onder water te staan en Leiden werd ontzet in de nacht van 2 op 3 oktober.

 

 

We vertelden u in de vorige Klinker over wateroverlast en dijkdoorbraken zoals die er al eeuwen waren. Ook over de maatregelen die men nam op grond van de ervaringen uit het verleden. Na de Eerste Wereldoorlog kwam er echter een kentering in de kennis. Men kreeg steeds meer inzicht in waterstanden, bodemdalingen, getijdenwerking en andere factoren die, ook in het verleden, zorgden voor de problemen met het water. Men keek vanaf dat moment niet meer alleen naar de ervaringen uit het verleden, maar probeerde ook inzicht te krijgen in wat er in de toekomst zou kunnen gaan gebeuren op basis van deze nieuwe inzichten. Een nieuwe fase dus in de strijd tegen het water.

 

 

 

Een wetenschappelijke aanpak

Onze overheid raakte zo overtuigd van het nut en de noodzaak van een andere aanpak, dat bij Koninklijk Besluit van maart 1916 een ‘Commissie inzake de hogestormvloeden op de Rotterdamsche Waterweg’ werd ingesteld. In het bijzonder door haar studies werd het inzicht in de getijdenbewegingen van de benedenrivieren verdiept. Men ontdekte steeds meer en leerde dat in kaart brengen en er rekenmodellen mee te maken.

Men besefte toen ook dat dit alles een zaak voor het hele land was en daarom werd in 1939 de ‘Stormvloedcommissie’ ingesteld. Die stelde in haar voorlopig rapport van 1940 al dat er driemaal in de duizend jaar een hoge stormvloed zou kunnen zijn. Dat betekende natuurlijk niet dat de eerste er na 333 jaren pas kon zijn, maar dat dat ook al direct kon gebeuren. Mede op grond van allerlei lopende waterstaatsplannen raadde men bijvoorbeeld ook aan om te rekenen op een waterstand bij Hoek van Holland van 4,00 meter boven N.A.P. voor het jaar 2000. En dat ze gelijk hadden bleek, helaas, al in 1953.

Aandacht voor het dichten van de ‘zeearmen’

Bij het maken van plannen ontdekte men al snel dat het belangrijkste gevaar bij zee lag. Het zou dus heel wat geld en problemen besparen als er afsluitingen in de zeearmen zouden komen. Het ophogen en soms ook verzwaren van heel veel kilometers dijk kon daarmee ook worden beperkt. Want dat alternatief kostte veel geld en leverde ook allerlei andere problemen. Uit onze eigen omgeving kennen we, als voorbeeld, de problemen die het in Ouderkerk aan den IJssel gaf toen de dijk door het dorp, na de stormvloed van januari 1916, moest worden opgehoogd. Er waren zware hulpconstructies nodig, veel panden moesten worden ‘opgedraaid’ en het aanzien van de prachtige dorpskern is er fiks door veranderd. Maar ook technisch was dijkverzwaring soms heel problematisch. Lang niet overal was een verdere verzwaring van de dijktaluds mogelijk. De kwaliteit van de ondergrond was hier en daar beslist onvoldoende.

Het afsluiten van de zeearmen werd nog extra gestimuleerd door de kritieke situatie bij Schielands Hoge Zeedijk. U weet nog wel van school dat in september 1574 werd overgegaan tot het doorsteken van deze dijk. Er kwamen twee gaten, bij Rotterdam en Capelle aan den IJssel. Daardoor kwam toen een enorm gebied, tot aan Amsterdam, onder water. En dus kon Leiden in de nacht van 2 op 3 oktober 1574 worden ontzet. Trouwens, het diepste stukje Nederland, de Prins Alexander Polder, met delen van 6,30 meter onder N.A.P., lag ook direct achter die dijk. Reden te over dus om juist deze dijk in de gaten te houden. En dat deed men dan ook. In al de hier nagemaakte plannen is om die reden al een dam in getekend aan de monding van de Hollandsche IJssel!

Het land hoeft niet veel onder water te staan om de vijand te keren. Dat wordt wel heel duidelijk uit deze propaganda foto van ons leger uit 1939.

Voortschrijdende kennis

In het Waterloopkundig Laboratorium in Delft had men inmiddels een fraai model van de beneden-rivieren gemaakt. Hierin kon men allerlei situaties nabootsen en de bedachte plannen in het klein bouwen en controleren.

Door de voortschrijdende kennis van allerlei processen leerden de mensen van Rijkswaterstaat om meer en meer te werken en plannen met de informatie die men verzamelde. Over de verhoging van het zeewaterniveau, bijvoorbeeld. Dat die in het verleden zo tussen de 1 en 2 millimeter per jaar lag. Maar ook dat men die voor de toekomst wel moest inschatten op 9 tot 88 centimeter per eeuw! Ook de mogelijk naar het binnenland trekkende zoutgrens werd ijverig bestudeerd en de verzamelde kennis verwerkt in de diverse plannen. Verzilting van bepaalde waterbekkens zou immers een ramp betekenen. Ook de grote kans op, volgens sommigen zeer hoge, stormvloeden werd nauwlettend bestudeerd en verwerkt. Men waarschuwde de regering en ons volk op allerlei wijze, drong aan op een stevige aanpak en presenteerde concrete plannen.

 

 

Het ‘vier-eilanden-plan’ van 1942.

Het ‘directeplan’ van 29 januari 1953.

 

Een stortvloed aan plannen  

Men bedacht bijvoorbeeld in 1942 het ‘vier-eilanden-plan’. Daarbij zouden Rozenburg, IJsselmonde, de Hoekse Waard en Voorne/Putten worden omgevormd tot één van de zee afgesloten gebied. Nadeel was dat het eiland van Dordrecht dan apart beschermd moest worden en dat de zeehaven van Dordrecht achter 2 sluizen kwam te liggen. Men loste dit op door het lanceren van het ‘vijf-eilandenplan’ . Daar was ook dit eiland dus in op genomen en nu kwam de haven achter slechts één sluis. Maar ook dit plan werd niet uitgevoerd.
Ook een plan tot ‘afsluiting van het Haringvliet’ werd niet uitgevoerd. Hierbij wilde men het Haringvliet aan twee kanten afsluiten, waarmee dan een belangrijk gebied zou worden beschermd. Een plan met wel ‘vier beweegbare stormvloedkeringen’ kwam er ook niet. Met dit plan wilde men, om verzilting rond het eiland van Dordrecht tegen te gaan, stormvloedkering en maken in de Dordse Kil, de Beneden Merwede , de Noord en de Lek. Ook de twee plannen uit 1952 voor een beweegbare stormvloedkering bij Hellevoetsluis en bij het Hollands Diep gingen niet door.

 

Het laatste niet uitgevoerde plan en de ramp

Het is haast niet te geloven, maar op 29 januari 1953, dus twee dagen voor de ramp, werd het laatste van al dit soort plannen afgerond. Ook nu was het weer een plan tot het verkorten van de kustlijn door het afsluiten van wat zeearmen. Dr. Ir. J. van Veen presenteerde twee varianten. In de één werd in één klap het hele werk uitgevoerd, het ‘directe plan’. In het andere plan werd het werk uitgesmeerd over meerdere jaren, het ‘geleidelijke plan’. Maar ook dit plan werd dus niet uitgevoerd, omdat twee dagen later de watersnoodramp kwam. Juist deze man, met z’n enorme kennis zou van onvergetelijk belang worden bij het daarna gemaakte ‘Deltaplan’. Een plan dat wél doorging. En dat startte bij Krimpen aan den IJssel. Met de bouw van het Algera-complex: een beweegbare stormvloedkering, een sluis en een brug!

Cees Loeve

 

Dat hoog water en wateroverlast in Krimpen bekende begrippen waren is duidelijk. Hier een mooie op name van de Poldersedijk