naar   publicaties Klinker

overgenomen uit de KLINKER nr 1, blz 10 -11 / februari 2008

 

Dat een overstroming ook gebruikt kon worden om ongewenste lieden uit ons gebied te houden was de idee achter de Hollandse waterlinie. Hier een situatie uit 1672 op een schoolplaat uit 1933

 

50 jaar Algera-complex deel 1
wateroverlast in Krimpen

 

Dit jaar 50 jaar geleden werden het stormstuw-complex en de Algerabrug geopend. Dat was een heel belangrijke stap in de ontwikkeling van Krimpen aan den IJssel en ook voor de verdere Krimpenerwaard. Maar het was vooral ook een afronding van eeuwenlang aandringen bij de diverse regeringen op het nemen van maatregelen tegen het dreigende water. Die roep om hulp werd met de jaren steeds luider. Begrijpelijk, want de vele dijkdoorbraken zorgden voor ongekend veel leed. Ook nu nog willen we, waar mogelijk, de beste bescherming hebben tegen dijkdoorbraken en wateroverlast.

 

 

Eeuwenlang wateroverlast

Onze omgeving werd omstreeks de elfde eeuw ontgonnen, dus vruchtbaar, leefbaar en bewoonbaar gemaakt. Voor die tijd was het één grote wildernis van waterloopjes, rietvelden, moerassen, struikgewas en bossen. Als u wel eens in de Biesbosch was dan heeft u een globaal idee hoe dat was. Kleinschaliger is het ook goed in te denken bij een bezoek aan ons Stormpoldervloedbos. Voor dat ontginnen was het, onder andere, nodig dat de grond ontvochtigd werd. Dat deed men door het graven van slotenstelsels waardoor het water afliep naar de rivieren. Maar een gevolg van dat ontvochtigen was wel dat onze veenbodem inklonk, dus daalde.

Ook vóór dit inklinken kwam het maar al te vaak voor dat de ontginningen onder water kwamen te staan. De rivieren en waterloopjes hadden vrij spel, want ze kenden getijden, maar ook regelmatig meer extreme waterstanden als gevolg van storm, springvloed, of overvloedig smeltwater uit de bovenstroomse landen. Om die reden ging men ook al vanaf het begin wonen op de hogere plaatsen in het landschap.


Op dit kaartje van onze omgeving is de loop van de Hollandse IJssel en de aansluiting op de Lek goed te zien. Er staat een zwarte streep door de IJssel bij de Lek. Dat is de afdamming van 1287 tot 1291 bij Klaphek, die er voor zorgde dat de IJssel heel wat rustiger werd.

De strijd tegen het water begint

Toen die overstromingen door de gronddaling steeds meer voorkwamen, moesten onze voorouders dus al snel en noodgedwongen de strijd tegen het water aangaan. Men deed dat als gezamenlijke landeigenaren door polders te maken, dus door een bepaald gebied te omringen met dijken. In een oud handvest van 1097 werden al bepalingen opgenomen voor dijkonderhoud in de Krimpenerwaard. En letterlijk lezen we over dijken in een oorkonde uit 1122. Maar zakkende bodem en stijgende gemiddelde waterstanden maakten de problemen steeds groter.

Uit dat handvest van 1097 blijkt trouwens ook dat die gezamenlijke dijkaanleg en het erop volgende onderhoud, een bron van problemen waren. Ieder deed wat hij nodig vond en waar hij tijd voor had, of maakte. De één schatte het gevaar van overstroming hoog in, dus maakte een mooi hoog en stevig stukje dijk. Maar z’n buurman vond het allemaal maar onzin en maakte zich er af met een zo laag en smal mogelijk dijkgedeelte.

Bij hoog water ging het dus vooral bij hem mis en dan was er herrie! Ook de overheidsregeltjes hielpen daar niet veel aan, want wie moest ze controleren? Dit alles werd pas beter sinds de instelling van waterschappen die voor de dijken moesten zorgen. In de Krimpenerwaard was dat toen in 1430 het Hoogheemraadschap in de Krimpenerwaard startte. In Stormpolder had men van gronddaling nauwelijks last omdat daar hoofdzakelijk kleigrond is.

De dijken rond Stormpolder werden daarom pas veel later, tussen 1287 en 1300, aangelegd. En dat was dus nodig door de stijgende waterstanden.

 

Een plankaart uit 1498. Rechts bovenin zien we de plannen voor een dam tussen Krimpen aan den IJssel en Capelle aan den IJssel.

   

 

De eerste afdamming van de IJssel

Intussen brak onze landsregering zich ook het hoofd over de diverse knelpunten in de waterhuishouding van ons land. En maakte, ook toen al, allerlei plannen tot verbetering van de verdeling van het water in de Rijndelta. Na goedkeuring van de bisschop van Utrecht, liet graaf Floris de Vijfde al tussen 1287 en 1291 de IJssel bij Klaphek afdammen.

Daarna was de waterstand in de IJssel beduidend lager dan die in de Lek. En dat was ideaal voor ons, want we konden toen weer veel beter afwateren uit onze slootjes en vaarten naar de Hollandsche IJssel. Dat was ook de reden waarom de polders in Lekkerkerk en Bergambacht hun uitwatering verlegden van de Lek naar de IJssel, via de  vliet en naar de sluizen in het Boveneind.

Toen in latere jaren de verschillen tussen gemiddelde waterstand binnen en buiten de dijken nog weer groter werd lukte de natuurlijke afwatering via sluizen steeds minder en ging men over tot bemaling via molens en later watergemalen.

 

 

 

 

 

Andere afdammingsplannen

Tot aan de watersnoodramp van 1953 waren er meerdere plannen om de IJssel af te dammen. Een plan uit 1498 bijvoorbeeld is hierbij afgedrukt. U ziet wel dat het plan niet op zichzelf stond want men overwoog meerdere ingrepen. Waarom het niet doorging is niet bekend. In 1808 (de Franse tijd dus) was het de inspecteur van Waterstaat Blanken die de IJssel wilde afdammen, zo ongeveer op de plek waar nu de stuw is. Er zouden 3 sluizen in de dam komen, één voor de scheepvaart en 2 stroomsluizen. Bij erg hoog water zou men de IJssel dan vol kunnen laten lopen en die buffer later snel leeg laten lopen. Dat moest er voor zorgen dat de uitmonding in de Nieuwe Maas op diepte zou blijven. Door allerlei politieke verwikkelingen ging dit plan niet door. Omstreeks 1850 werd de IJssel bij Haastrecht afgedamd en de waaiersluizen gebouwd. De achterliggende IJssel werd vervolgens tot aan Klaphek gekanaliseerd.

 

 

 

 

Er zijn meer  plannen geweest, maar de meest opmerkelijke is wel één, dat pas weer ontdekt werd, uit de laatste oorlog. Het gaat hier om een plan om de IJssel af te dammen en een kanaal te graven, dwars door Krimpen aan den IJssel heen tot in de Lek. Oorlogsmisleiding? Wie er meer van weet mag het, graag, zeggen.

Allerlei dijk doorbraken

Dat de hier vooraf geschetste problemen met het dijkonderhoud niet alleen tot ruzies maar vooral ook tot dijkdoorbraken en wateroverlast hebben geleid is duidelijk. Soms stond (een deel van) de Krimpenerwaard zelfs een heel lange tijd onder water omdat er geen geld voor herstel was, of omdat er geen hulp van de overheid kwam. Het leed en de schade die hierdoor steeds weer ontstonden is nauwelijks voorstelbaar. Als geld geen probleem was, herstelde men de dijk, verzwaarde hem en maakte hem wat centimeters hoger dan de laatst bekende hoogwaterstand. En dat bleek dan later weer niet afdoende te zijn geweest als we letten op de feiten die we nu kennen.

 

 

De enige, ons nu bekende, dijkdoorbraak van de IJselijk voor 1953, is die door een stormvloed in 1397. Van de Stormpolder zijn er heel veel meer geweest. De laatste was een doorbraak op 3 plekken in 1916. Maar bij de Lekdijk kennen we doorbraken en overstromingen door hoge rivierstanden of stormvloeden uit onder meer 1420, 1421 (de St. Elizabethsvloed), 1423, 1424, 1468, 1511, 1514, 1552, 1570, 1575, 1595,1672, enzovoort. Daar had men trouwens in 1677, 1726 en 1760 ook nog eens dijkdoorbraken als gevolg van ijsdammen in de rivier. Van bovenstromende ijsschotsen liepen daar dan vast en vormden hele dammen in de rivier. En die werden door de stuwende kracht van het water dan dusdanig weggedrukt dat de dijken beschadigden en soms ook doorbraken.

De ramp van 1953

De ramp van 1953 was de ergste die onze gemeente ooit trof. Er vielen vier slachtoffers en daarnaast was er heel veel schade. Anderzijds was ze de aanzet tot grootschalige aanpak van de waterproblemen. Plannen maken ging over in plannen uitvoeren. En zo kwam er in 1958 een prachtig complex van een stormvloedkering, een sluis en een brug.

Cees Loeve