|
Brandgevaar
Duidelijk is
dat het hier —in gebrekkig Nederlands— gaat om het brandgevaar langs de dijk,
waar aan beide zijden duizenden bossen riet lagen opgestapeld om in de
rietmattenfabrieken verwerkt te worden.
Branden in de “mattefrotterijen”, zoals in de volksmond genoemd en waar toen
alles met de hand gedaan werd, moesten ten allen tijde
voorkomen worden. Vooral vanwege de beperkte blusmiddelen waarover men beschikte
toen deze verordening van kracht was.
Toch zijn er in de loop der jaren vele rietmattenfabrieken in vlammen opgegaan.
Vele Krimpenaren zullen zich nog herinneren de brand
bij
Demmenie (in het
Boveneind) in 1930 en enkele jaren later -op de plaats binnendijks tussen
Kortlandstraatstoep en Steenbakkerstraatstoep- de brand bij rietmattenfabriek
Mijnlieff.
De laatste brand betrof de rietopslag bij Mijnlieff zowel binnen- als
buitendijks op de plaats waar nu het brugviaduct over de IJsselstraat ligt.
In een jaarverslag van de plaatselijke brandweer staat te lezen onder de kop
“Daadwerkelijk optreden korps”: ‘Het korps behoefde slechts eenmaal voor een
grote brand uit te rukken. Dit was op 15 augustus 1948 voor de brand in de
Rietmattenfabriek van de Firma Mijnlieff, alhier.
Deze brand, welke zeer snel om zich heen greep en een groot gevaar voor de
omliggende woningen opleverde, is met 18 stralen op de auto- en motorspuiten en
met 7 stralen op de waterleiding geblust.
 |
Ambachten die
verdwenen
Van Walsum,
Mijnlieff, Demmenie, Hoogendijk, Boers, allemaal bekende namen in Krimpen aan
den IJssel, namen van eigenaars (bazen en werkgevers) van rietmattenfabrieken en
steenbakkerijen in vroeger jaren. Bedrijven die in velerlei opzicht aan elkaar
verwant waren en soms een “twee- in-een zaak” vormden. We kunnen heel lang
teruggaan in de geschiedenis om aan de weet te komen dat er langs de IJssel,
behalve scheepswerfjes, ook steenbakkerijen en rietmattenfabrieken waren. In
onze gemeente herinnert alleen de naam Steenbakkerstraat nog aan de plaats waar
de bekende IJsselsteentjes gevormd en gebakken werden.
Deze steenbakkerij, de laatste die nog in bedrijf was, heeft in het jaar 1929 de
poorten moeten sluiten. Daarvoor waren o.a. twee redenen: vervuiling van het
milieu en nieuwe voorschriften van de Woningwet. Toen stoomboten de plaats van
de zeil- schepen hadden ingenomen kwam olie- afval in het water terecht. De
zuivere rivier- klei werd daardoor ongeschikt voor het bakken van de gele
lJsselsteen. Om door te kunnen werken moest klei van elders worden aangevoerd,
wat in die tijd de zaak niet eenvoudiger maakte. Toen nieuwe voorschriften van
de Woningwet voorschreven dat de dikte van de muren voor te bouwen woningen 20
tot 22 centimeter moest worden, verdween de vraag naar het produkt, want de
lJsselsteentjes waren 17-1 7,5 cm. Een en ander leidde er toe dat voor Krimpen
in 1929 het einde was gekomen aan het steenplaats-tijdperk.
In de loop der jaren verdwenen ook de rietmattenfabrieken uit Krimpen. De
laatste was het van vader op zoon overgegane bedrijf Boers, gevestigd in de
Stormpolder, op de plaats waar binnenkort de gevangenis gebouwd wordt. Het is
Cees Boers die, zoals hij zelf eens zei: opgegroeid is in het ‘rietmatten”.
Vanaf zijn 14e jaar werkte hij in het bedrijf van zijn vader en als geen ander
kan hij vertellen over het hele verwerkingsproces vanaf het rietsnijden in het
“gors” tot aan de rietmat klaar voor het gebruik. Een klein gedeelte van het
riet werd gesneden langs de oevers van Lek en IJssel; het meeste riet kwam uit
de Biesbosch, de riet- streek bij uitstek. Het mooiste en langste riet heeft
pluimen, het kortste riet is vaak pluimloos. Het drogen van het riet gebeurde
aan de rivierkant, waarna het vroeger per schuit en later per auto naar de
plaats van bewerking gebracht werd.
|