Krimpen aan den IJssel is een gemeente gelegen aan de Hollandsche IJssel en maakt deel uit van de Krimpenerwaard in het Oosten van Zuid-Holland. Hoe de naam Krimpen aan den IJssel is ontstaan weet eigenlijk niemand precies. Een verklaring is dat het woord "krimp" of "krimpen" het samentrekken of krimpen van een rivier zou betekenen oftewel "rivierbocht." De dorpen Krimpen aan de Lek en Krimpen aan den IJssel zouden daarom zijn vernoemd naar hun situering aan rivier bochten. De Krimpenerwaard zelf is dus een door bochtige rivieren, de Lek, de Vlist en de Hollandsche IJssel omgeven waard. Deze werd in het jaar 944 nog het Gouw Lake et Isla genoemd. Lek en IJssel dus. Later werd de naam van deze landstreek Nederweert van Crympen of Crympenrewairt genoemd, wat uiteindelijk leidde tot Krimpenerwaard. |  | Een 17e eeuwse kaart van de Crimperwaert |
 |
Het wapen van Krimpen aan den IJssel - en tot 1855 ook dat van de toen opgeheven gemeente Stormpolder - werd op 24 december 1817 bij besluit officieel aangenomen en is van zilver, beladen met 3 halve manen van sabel, geplaatst 2 en 1 en gekeerd naar de linkerzijde van het schild. In de heraldiek is rechts links en dus links rechts omdat het schild werd gezien van de kant van de persoon, die er achter stond en tot wiens bescherming het moest dienen. |
Zoals bekend voeren ook de omliggende gemeenten Ouderkerk aan den IJssel (tegenwoordig met Gouderak samen de gemeente Ouderkerk vormend), Nederlek (Krimpen aan de Lek en Lekkerkerk) en Berkenwoude de drie halve manen of ook wel "wassenaars" genoemd in verschillende standen in hun wapen. De drie halve manen vormen het wapen van het geslacht Nassau la Lecq dat terugvoert naar Jan II van Polanen, heer van de Leck in 1342 en zelfs nog verder terug naar dat van de Heren van Wassenaar in 1294. |
De oude vlag van Krimpen aan den IJssel verwijst naar het gemeentewapen en wordt gevormd door vijf horizontale en even groot zijnde banen met afwisselend de kleuren wit (drie maal) en zwart (twee maal). De banen in de vlag symboliseren de grote rivieren waaraan de gemeente ligt. De vlag is officieel geregistreerd bij besluit van de Hoge Raad van Adel van 19 september 1957.
De nieuwe en modernere vlag staat sinds Mei 2001 geregistreerd en verwijst naar de oude vlag en naar de Nederlandse driekleur. |  | | |  |
Over het ontstaan van Krimpen aan den IJssel is weing bekend. Hoewel de naam Crempene in 1064 het eerst in documenten werd genoemd, wordt aangenomen dat hiermee Krimpen aan de Lek werd bedoeld. In een handvest uit 1323 werd wel duidelijk onderscheid gemaakt tussen "Crimpen op die IJsele ende Crimpen op de Merwede". In de loop der tijd werden ook nog andere namen gebruikt zoals: Crempen, Crempene of Crimpene op den Yssel, Crimpen opte Issel en Krimpen op den IJsel. In het begin van de 19e eeuw werd het in de volksmond ook wel "Tingenijssel" genoemd.
In vergelijking met omliggende gemeenten was Krimpen aan den IJssel maar een klein dorpje. Tot 1630 stonden er maar 50 huizen met 200 inwoners, bij de volkstelling in 1795 waren dat 538 inwoners. In 1841 werd Crimpen op den IJssel zelfs nog een buurt genoemd, die uit de polders Korteland en Langeland bestond. Het besloeg een oppervlakte van 599 bunder of hectare en telde 138 huizen met ruim 900 inwoners, die het meest hun bestaan vonden in veeteelt en melkveehoudererij. Voorts waren er 2 scheepstimmerwerven, 4 touwslagerijen, 4 steen-bakkerijen en 3 rietmattenmakerijen. Het had géén eigen school of kerk en de doden werden zelfs lange tijd in Ouderkerk aan den IJssel begraven. In 1855 werd het eiland Stormpolder - het eiland dat vóór Krimpen aan den IJssel, tussen de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel ligt en altijd een zelfstandig ambacht was geweest - bij Krimpen aan den IJssel gevoegd. |  | |
| De Economische Ontwikkeling |
In de loop der eeuwen vonden de Krimpenaren hun bestaan voornamelijk in de agrarische sector. De nadruk lag op de akkerbouw. Na het ontginnen van het polderlandschap begon het veen door de verbeterde waterafvoer zo in te klinken dat het land op den duur ongeschikt werd voor akkerbouw. De boeren schakelden geleidelijk over op veeteelt en melkveehouderij. Omdat de dichtbij gelegen grote steden Dordrecht, Gouda en Rotterdam vanaf de 15e en 16e eeuw een economische groei doormaakten, ontstond er belangrijke afzetmarkt. De economische ontwikkeling op het platteland werd daarbij voornamelijk bepaald door de behoefte aan bouwstenen, de toename van de scheepvaart en de vraag naar transport. |
| De Steenplaatsen |
Doordat houtbouw werd vervangen door steenbouw ontstond er een economische bloei in de steenindustrie. In het gehele land was er grote behoefte om over stenen te kunnen beschikken voor aanleg, uitbreiding of herstel van stadsmuren, gebouwen of huizen. Eeuwenlang hebben er langs de IJssel steenbakkerijen of steenplaatsen gestaan. In de 17e eeuw waren dat circa 30 stuks. In Krimpen aan den IJssel en Stormpolder waren er in de 16e eeuw maar liefst vijf. Bekend zijn de steenplaatsen "Zandrak 1 en 2" en "de Stuw". De klei werd gewonnen in de zogenaamde zellingen; een door rietkragen afgezet stukje grond dat met het wisselen van eb en vloed dichtslibde met klei waarna het na verloop van tijd werd uitgebaggerd. Het slib van de Hollandsche IJssel leende zich echter niet voor tegels of pannen omdat de klei niet hard genoeg kon worden gebakken. De bekende gele IJsselsteentjes werden vooral gebruikt voor schoorstenen, gewelven, binnenmuren en huizen. Het verval van de steenplaatsen kwam in de 19e eeuw en werd o.a. veroorzaakt door kanalisatie van de IJssel, hierdoor werd de kwaliteit van het slib minder. De vervuiling van het water en de wijziging in de arbeidswet, die kinder- en vrouwenarbeid verbood of aan banden legde, waren eveneens oorzaken. Inmiddels voldeed ook het kleine formaat steen niet meer aan de door de Woningwet gestelde eisen die dikkere muren voorschreef. Na de Tweede Wereldoorlog is deze industrietak langs de gehele Hollandsche IJssel verdwenen, voor Krimpen aan den IJssel was dat al eerder. |
| De Rietmattenmakerijen |
Rietmatten werden in de steenplaatsen gebruikt als bescherming tegen de zon om te voorkomen dat de stenen zouden uitdrogen en scheuren. Ook bij vorst werd op deze manier bescherming geboden. Rietmatten werden ook gebruikt bij dijkversterkingen. Hiervoor werd ook het afval van de steenplaatsen - de misbaksels - gebruikt. Pas later werd deze taak overgenomen door basalt- en betonblokken. Krimpen aan den IJssel kende enkele rietmattenmakerijen; o.a. die van de gebroeders van Walsum in het buurtschap Boveneind, Mijnlieff aan de IJsseldijk en die van de familie Boers in de Stormpolder. Een klein gedeelte van het riet werd gesneden langs de oevers van de Lek en de IJssel, maar het grootste gedeelte kwam uit de Biesbosch. Het drogen van het riet gebeurde aan de rivierkant. Duizenden bossen riet lagen opgestapeld waarna het per schuit en later per auto weggebracht werd voor verdere verwerking. Brand was de grootste angst van een ieder en moest te allen tijde worden voorkomen. Op straffe van hoge boetes werd het personen zelfs verboden met brandende tabakspijpen over de dijk te rijden of hutten in en uit te gaan. Toch zijn er in de loop der jaren vele rietmattenfabrieken in rook opgegaan. |
|
|